De rechtbank Den Haag oordeelt over partneralimentatie en verdiencapaciteit
Partijen zijn in 2007 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk twee – thans nog minderjarige – kinderen zijn geboren. In 2017 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. In appèl twisten partijen onder meer over de door de man een de vrouw te betalen partneralimentatie.
Volgens de man dient de vrouw haar verdiencapaciteit als apothekersassistente beter te benutten. Naar zijn mening is zij in staat om haar huidige dienstverband van twee dagen per week uit te breiden naar vier dagen per week, zoals voorheen het geval was. Dit desnoods bij een andere apotheek. De vrouw is jong en gezond en heeft niet meer de zorg voor heel jonge kinderen, zodat zij voor een groter deel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, aldus de man.
De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij brengt naar voren dat in samenspraak met de man, zij sinds juni 2006 twee dagen per week werkt in verband met de dagelijkse zorg voor de kinderen. De vrouw geeft aan zeker bereid e zijn om op termijn haar uren uit te breiden, maar pas op het moment dat het weer beter gaat met de kinderen, zij de echtscheiding een plekje hebben kunnen geven en op de middelbare school zitten. Volgens de vrouw is uitbreiding van haar arbeidsuren onder schooltijd bij haar huidige werkgever niet mogelijk.
Het Hof acht het redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van drie dagen per week. Vast staat dat bij de vrouw geen beperkende factoren – in de zin van gezondheid of opleiding – aanwezig zijn om haar uren uit te breiden. Voorts acht het Hof een dienstverband van drie dagen per week, eventueel deels ook buiten schooltijd, niet zodanig omvangrijk en belastend dat de kinderen daarvan nadeel zouden ondervinden.
Het hof ziet geen aanleiding voor toewijzing van de door de man verzochte nihilstelling na ommekomst van een periode van vijf jaar. Gelet op het salarisniveau van de vrouw, vergeleken met dat van de man en de zorg- en opvoedingstaken die de vrouw uitoefent met betrekking tot de relatief jonge kinderen van partijen, kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij binnen vijf jaar volledig in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.