Kinderalimentatie en klemmend tekort
Uit het huwelijk tussen de ouders is in 2015 kind K geboren, over wie zij het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen. In 2016 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. K heeft het hoofdverblijf bij de moeder. De rechtbank heeft de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 250,- per maand. In 2020 wordt de moeder belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over K.
De vader verzoekt de rechtbank om de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 14 februari 2023 op nihil te stellen. Hij beroept zich op gewijzigde omstandigheden: op 14 februari 2023 is hij toegelaten tot een minnelijk schuldhulpverleningstraject. Hij heeft een schuldhulpovereenkomst gesloten met [gemeente] en een stabilisatie- en schuldregelingsovereenkomst met de Kredietbank Nederland.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de vader overgelegde stukken blijkt dat hij met ingang van 14 februari 2023 voor de duur van 36 maanden is toegelaten tot een minnelijk schuldhulpverleningstraject. Dit impliceert dat [gemeente] c.q. de Kredietbank heeft getoetst of de vader aan de daarvoor geldende toelatingscriteria voldoet en geen weigeringsgronden voor hem van toepassing zijn. De rechtbank neemt die situatie tot uitgangspunt.
In de jurisprudentie wordt het vrijwillig schuldhulpverleningstraject in beginsel gelijkgesteld aan de wettelijke schuldsaneringsregeling. De vader kan gedurende dit traject slechts beschikken over het vrij te laten bedrag (VTLB). Uit de berekening van het VTLB blijkt dat de Kredietbank geen rekening heeft gehouden met een component voor de voldoening van een bijdrage voor K. Uitgangspunt is dan dat er geen draagkracht is om alimentatie te voldoen. De vader heeft gesteld dat de Kredietbank ten tijde van de berekening op de hoogte was van het feit dat hij een alimentatieverplichting heeft (en van de hoogte daarvan). Dit volgt ook uit het feit dat het LBIO één van zijn schuldeisers is. Desgevraagd heeft de vader echter ook verklaard dat aan de Kredietbank niet expliciet, op grond van het feit dat sprake is van een klemmend tekort in de gezamenlijke draagkracht van partijen (de moeder heeft vanwege haar Wajong-uitkering immers slechts een draagkracht van € 25,- per maand) om in de behoefte van K (van € 486,- per maand) te voorzien, is verzocht om bij de berekening van het VTLB rekening te houden met een onderhoudsbijdrage voor K. Mede gelet op artikel 7.4 van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen is de rechtbank van oordeel dat dat wel van de vader mag worden verwacht.
Gelet hierop stelt de rechtbank de vader in de gelegenheid om de Kredietbank met onderbouwing van stukken – waaronder de financiële gegevens van de moeder – te verzoeken om het VTLB te verhogen met een bedrag voor kinderalimentatie vanwege een klemmend tekort aan gezamenlijke draagkracht bij de onderhoudsplichtigen om in de behoefte van K te voorzien en om een bewijs van de toe- dan wel afwijzing van dat verzoek aan de rechtbank over te leggen, met een reactie aan de zijde van de vader wat dit betekent voor het voorliggende verzoek. De moeder krijgt vervolgens twee weken de tijd om op dit punt schriftelijk te reageren. De nadere beoordeling van het verzoek wordt aangehouden tot pro forma datum.
De uitspraak is hier te lezen.