Alimentatievorderingen verjaard
Uit het huwelijk tussen de man (met zowel de Amerikaanse als de Italiaanse nationaliteit) en de vrouw (met de Amerikaanse nationaliteit) is in 1985 dochter D geboren. Het gezin is woonachtig in Nederland. In 2001 gaan partijen uit elkaar. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij haar moeder.
De rechtbank heeft (in 2001) de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op fl. 5.950,– per maand en de kinderalimentatie op fl. 1.000,– per maand vastgesteld. De beschikking wordt in hoger beroep door het hof (in 2003) bekrachtigd.
Bij beschikking van 27 november 2007 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 19 september 2007 op nihil gesteld.
In 2018 verhuizen de vrouw en D naar Amerika. De man woont nog steeds in Nederland.
De vrouw heeft in Amerika twee procedures aangespannen, waarin zij de executie verzoekt van de Nederlandse alimentatiebeschikkingen (een zogeheten “Out of State Order”) over de jaren 2003 tot en met 2007. In dat kader verzoekt de man een verklaring voor recht dat het recht van de vrouw op kinder- en partneralimentatie is vervallen c.q. geëindigd en dat haar vordering daarop is verjaard.
Onder toepassing van de Europese Alimentatieverordening overweegt de rechtbank als navolgend.
Vast staat dat de man (in de door de vrouw in Amerika aangespannen procedures) herhaaldelijk heeft geprobeerd bij de Amerikaanse rechter aan te voeren dat er gekeken dient te worden of de Nederlandse uitspraak nog geldt en (zo ja) wat hij nog aan de vrouw verschuldigd is. De Amerikaanse rechter is daaraan voorbij gegaan met de mededeling dat de man dit aan de Nederlandse rechter dient voor te leggen en dat de Amerikaanse rechtbank daar niet over oordeelt. Op basis van deze stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat het voor de man juridisch en/of feitelijk onmogelijk is om in Amerika een procedure over het voorliggende geschil te voeren, nu hij dit reeds twee maal tevergeefs heeft geprobeerd. Verder is de rechtbank van oordeel dat het geschil nauw verbonden is met Nederland. De man woont immers in Nederland, de vrouw tot 2018 heeft samen met D in Nederland gewoond, de echtscheiding is door de Nederlandse rechter uitgesproken en de partner- en kinderalimentatie zijn daarbij door de Nederlandse rechter vastgesteld, met toepassing van het Nederlandse recht. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
Bij de vaststelling van de partner- en kinderalimentatie heeft de rechtbank in 2001 – met inachtneming van het Haags Alimentatieverdrag 1973 – het Nederlands recht toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of er sprake is van verjaring van de vordering van de vrouw beheerst wordt door hetzelfde recht als de alimentatieverplichting, te meer nu de vrouw en D in de periode waar het geschil op ziet (de periode gelegen tussen 2003 en 2007) in Nederland woonden. De rechtbank past daarom ook op het voorliggende geschil het Nederlands recht toe.
In artikel 3:324 lid 3 BW is bepaald dat de verjaringstermijn van geldvorderingen vijf jaar bedraagt voor wat op grond van de uitspraak bij het jaar of kortere termijn dient te worden betaald. Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Op grond van artikel 3:325 lid 2 BW kan de verjaring worden gestuit door (I) betekening van de uitspraak of schriftelijke aanmaning, (II) erkenning van de in de uitspraak vastgestelde verplichting en (III) iedere daad van tenuitvoerlegging, mits daarvan binnen de door de wet voorgeschreven tijd, of – bij gebreke van zodanig voorschrift – met bekwame spoed mededeling aan de wederpartij wordt gedaan.
Het ligt op de weg van de vrouw om aan te tonen dat zij iedere vijf jaar de verjaring heeft gestuit. Dit heeft zij nagelaten. De vrouw heeft gesteld dat de verjaring is gestuit door de procedure die zij in 2006 in Italië heeft gevoerd. Zelfs al zou dit het geval zijn, dan nog heeft zij niet aangetoond dat zij nadien de verjaring ook heeft gestuit. De stuiting dient immers na iedere vijf jaar plaats te vinden. De rechtbank concludeert dan ook dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij de verjaringstermijn tijdig en op juiste wijze heeft gestuit. De vrouw heeft verder aangevoerd dat de man zijn verplichting tot betaling van alimentatie heeft erkend. Hier is echter niet van gebleken en is ook door hem betwist.
Nu de vorderingen van de vrouw zijn verjaard, wijst de rechtbank het verzoek van de man toe.
De uitspraak is hier te lezen.