Behoefte aan partneralimentatie na 8 jaar niet verbleekt
Het huwelijk van de partijen in deze zaak is in 1971 gesloten en in 2008 door echtscheiding ontbonden. De Rechtbank heeft in de scheidingsprocedure de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld.
De vrouw verzoekt de Rechtbank om de door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud op een hoger bedrag te bepalen. De Rechtbank wijst dit verzoek toe, waarna de man in hoger beroep gaat.
Partijen twisten over de behoefte van de vrouw. Volgens de man is de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vanwege tijdsverloop afgenomen. De man is van mening dat de behoefte van de vrouw niet langer moet worden bepaald aan de hand van de welstand gedurende de laatste jaren van het huwelijk, maar op basis van haar huidige welstand.
Het Gerechtshof overweegt als volgt. In 2008 heeft de Rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld op een nettobedrag van € 7.221,– per maand. De hoogte van deze behoefte heeft de man niet ter discussie gesteld. Naar het oordeel van het Hof heeft de man zijn stelling dat de lotsverbondenheid tussen partijen is geëindigd, dan wel dat sprake is van verbleking van de behoefte, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet voldoende onderbouwd, zodat het Hof daaraan voorbij gaat. Het enkele feit dat partijen al acht jaar uit elkaar zijn, is daartoe onvoldoende. Dat de vrouw haar kosten reeds jaren heeft aangepast aan de hoogte van de partneralimentatie, werkt evenmin behoefteverlagend. Tenslotte, de verwijzing door de man naar het wetsvoorstel tot verkorting van de partneralimentatietermijn in relatie tot de door hem gestelde verbleking van de behoefte, geeft het Hof ook geen aanleiding tot een ander oordeel.
Dientengevolge bedraagt de geïndexeerde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw per 2016 (afgerond) € 8.220,– netto per maand.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.