De vrouw verdient als DJ meer dan ze zegt en de man heeft 'zwarte' inkomsten
Uit het huwelijk van partijen is de thans nog minderjarige zoon Z geboren. De man en de vrouw zijn beiden zelfstandig ondernemer; de man is aannemer en oefent zijn onderneming uit via een BV en de vrouw is werkzaam als diskjockey (DJ) en is eigenaar van een eenmanszaak.
In oktober 2020 gaan partijen uit elkaar. Zoon Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder. Tussen hem en zijn vader is een omgangsregeling van kracht.
In de echtscheidingsprocedure twisten partijen zowel over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, als over zijn bijdrage in de kosten van zoon Z.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat tot oktober 2020 sprake was van contante betalingen door klanten van de BV van de man, die niet in de boekhouding zijn verantwoord en waarvan partijen hebben geleefd. De vrouw heeft een overzicht van contante betalingen aan de BV van de man in de jaren 2018 tot en met 2020 overgelegd, waaruit volgt dat meerdere klanten contant betaalden. De vrouw verzorgde tot oktober 2020 de administratie van de BV van de man en had daardoor inzicht in de financiën van de onderneming van de man. De rechtbank slaat ook acht op de door de vrouw ingebrachte verklaringen van de zus van de man en van een voormalig werknemer van de BV. De zus heeft verklaard dat partijen etentjes altijd contant afrekenden en dat deze inkomstem vanuit de onderneming van de man werden genenereerd.
De voormalige werknemer van de BV verklaarde dat bijna alle klussen contant werden voldaan in de 1,5 jaar waarin hij voor de onderneming heeft gewerkt.
De man heeft ter zitting toegelicht dat inderdaad contant werd afgerekend door klanten van de BV en dat met dit contante geld personeelsleden zwart werden uitbetaald.
Nu nergens uit blijkt dat de contante betalingen door klanten en de salarissen van de personeelsleden in de administratie van de BV zijn verantwoord, concludeert de rechtbank dat er tijdens het huwelijk van partijen zwart geld omging in de onderneming, waar partijen van leefden. Dat daar op dit moment geen sprake meer van is, zoals de man betoogt, kan de rechtbank nergens uit afleiden. De man heeft weliswaar verklaard dat hij na overname van de boekhouding van de vrouw in oktober 2020 alle personeelsleden op de loonlijst heeft gezet en dat hij voor alle contante betalingen facturen uitschrijft, maar hij heeft deze stelling – tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet verder onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man een hogere omzet in zijn onderneming kan genereren indien alle inkomsten in de boekhouding worden verantwoord. De rechtbank acht de man dan ook in staat om een hoger inkomen uit zijn onderneming te genereren dan hij nu doet. De rechtbank stelt deze inkomsten schattenderwijs vast op een bedrag van € 1.000,– bruto per maand.
Ten aanzien van de inkomsten van de vrouw, stelt de rechtbank vast dat zij voor de coronacrisis een aantal jaren een salaris van € 70.840,– bruto per jaar uit haar onderneming genoot. Ten gevolge van de coronacrisis en de door de overheid getroffen maatregelen voor de evenementenbranche zijn de werkzaamheden van de vrouw als DJ nagenoeg stilgevallen. Als gevolg daarvan heeft de vrouw zich in 2020 en 2021 een lager salaris uitgekeerd van € 20.600,– bruto per jaar. De coronamaatregelen voor de evenementenbranche zijn in maart 2022 komen te vervallen, waarna de vrouw haar DJ-werkzaamheden weer heeft opgepakt. De vrouw stelt weliswaar dat zij minder boekingen heeft dan voorheen, maar gelet op haar reputatie en inkomsten voor de coronacrisis kan naar het oordeel van de rechtbank van haar gevergd worden dat zij met haar (DJ-)werkzaamheden een inkomen genereert van in ieder geval € 50.000,– bruto op jaarbasis. Deze verdiencapaciteit kent de rechtbank aan de vrouw toe.
Na verdere inhoudelijke beoordeling stelt de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast op een bedrag van € 287,– per maand en de onderhoudsbijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op een bedrag van € 1.483,– per maand.
De uitspraak is hier te lezen.