Ex-vrouw doet onvoldoende om in eigen levensonderhoud te voorzien
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie na verloop van vier jaar op een lager bedrag te stellen en na zes jaar op nihil. De vrouw is van mening dat zij gedurende de wettelijke 12 jaar recht heeft op het volledige bedrag aan partneralimentatie.
Het Gerechtshof stelt voorop dat van zogenaamde behoeftigheid sprake is als de onderhoudsgerechtigde niet voldoende inkomsten heeft om in het eigen levensonderhoud te voorzien, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. In tegenstelling tot hetgeen waarvan de vrouw vanuit lijkt te gaan, bestaat er dan ook niet zonder meer recht op (het volledige bedrag aan) partneralimentatie voor de duur van 12 jaar. Een onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw bestaat zodoende alleen voor zover zij niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, ondanks voldoende inspanning daartoe. Dit betekent dat de vrouw, stellende behoefte te hebben aan partneralimentatie, dient te bewijzen dat zij geen of onvoldoende inkomsten heeft om in haar behoefte te voorzien en ook niet in redelijkheid in staat kan worden geacht (voldoende) inkomsten te ontvangen.
De vrouw stelt dat zij voldoende inspanningen heeft gepleegd om betaald werk te vinden en heeft daartoe diverse sollicitatiebrieven overgelegd. Volgens de man zijn de betreffende sollicitatiebrieven niet aan te merken als serieuze inspanningen van de vrouw om inkomen te verwerven, gelet op de ontmoedigende openingszin, de minimale omvang en de vele type- en taalfouten. Dat de vrouw, naar zij zelf stelt, gebrekkig Nederlands spreekt, behoeft volgens de man geen belemmering te vormen bij het vinden van een baan, temeer nu zij de Engelse taal uitstekend beheerst (zowel in taal als geschrift) en dan ook prima bij een Engelstalig bedrijf zou kunnen werken. De vrouw heeft hierop verklaard dat er in de omgeving van haar woonplaats geen Engelstalige bedrijven zitten en zij daarvoor niet wil verhuizen. De man heeft hiertegen ingebracht dat hij en de vrouw in dezelfde woonplaats woonachtig zijn en hij voor zijn werk dagelijks naar een andere plaats afreist, hetgeen volgens hem ook van de vrouw gevergd kan worden.
Bovendien is gebleken dat de vrouw tot op heden niet geen taalcursus Nederlands heeft gevolgd. De kinderen van partijen zijn voorts inmiddels 20 en 16 jaar oud, zodat de zorg voor de kinderen evenmin een belemmering voor het vinden van een betaalde baan vormt. Gebleken is dat de vrouw enkel via haar eigen (beperkte) netwerk geprobeerd heeft om een betaalde baan te vinden en daarnaast via internet sollicitatieactiviteiten heeft gepleegd. Van de vrouw kan verwacht worden dat zij zich inschrijft bij diverse uitzendbureaus en zich terzijde laat staan bij het verrichten van sollicitatieactiviteiten.
Het hof komt tot het oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden onvoldoende heeft onderbouwd. Dat de vrouw niet in staat zou zijn om voldoende inkomsten te verwerven, is dan ook niet vast komen te staan. Dit brengt met zich mee dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij behoeftig is, hetgeen een afwijzingsgrond vormt voor de door haar verzochte partneralimentatie.
Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in appèl – alleen de vrouw heeft beroep ingesteld – en vanwege het verbod van reformatio in peius (verandering naar verslechtering), bekrachtigt het Gerechtshof de beschikking van de rechtbank.
Lees hier de volledige uitspraak.