Gebrek aan draagkracht niet aangetoond
Uit het huwelijk tussen de vader (V) en de moeder (M) zijn drie kinderen geboren. In 2017 is het huwelijk tussen partijen door echtscheiding ontbonden. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kinderen uit, die hun hoofdverblijf bij hun moeder hebben.
In het ouderschapsplan dat als onderdeel van de beschikking door de rechtbank is vastgesteld, is opgenomen dat V maandelijks een bedrag van € 416,– aan kinderalimentatie aan M dient te betalen.
M heeft vervolgens de rechtbank verzocht om deze bijdrage te wijzigen en met ingang van 6 mei 2024 vast te stellen op € 500,– per kind per maand. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. V is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en voert daarbij aan dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde alimentatie te betalen.
V stelt dat hij onvoldoende inkomen heeft om aan de verhoogde alimentatieverplichting te voldoen en voert aan dat hij per 1 januari 2025 zelfs geen inkomen meer zal hebben, omdat hij dan niet meer kan werken als ZZP’er.
Daarnaast heeft V twee kinderen uit zijn nieuwe relatie, voor wie hij eveneens onderhoudsplichtig is. Zijn huidige partner werkt niet.
Het hof oordeelt dat V zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij wordt verwezen naar artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, waarin is opgenomen welke financiële gegevens aan het hof dienen te worden overgelegd wanneer de behoefte of draagkracht wordt betwist.
V heeft onvoldoende financiële gegevens overgelegd, terwijl het op zijn weg lag om zijn financiële situatie volledig en inzichtelijk te maken.
Over zijn inkomen als ZZP’er in de jaren 2021 tot en met 2025 heeft hij enkel een e-mail van zijn belastingadviseur d.d. 15 oktober 2024 overgelegd. Dit e-mailbericht biedt onvoldoende inzicht in het daadwerkelijke jaarinkomen uit onderneming.
Daarnaast heeft V tijdens de mondelinge behandeling verklaard inkomsten te genereren als voetbaltrainer, maar ook hierover zijn geen onderliggende stukken overgelegd. Evenmin zijn aangiften of aanslagen inkomstenbelasting, jaarstukken of andere financiële documenten beschikbaar gesteld.
Hierdoor kan het huidige inkomen van V niet door het hof worden vastgesteld.
De gewijzigde omstandigheid, dat V door veranderde wetgeving niet langer als ZZP’er kan werken, is ook onvoldoende onderbouwd. V heeft geen beëindigde contracten met opdrachtgevers overgelegd en ook geen prognose-cijfers van zijn onderneming of bewijs van pogingen om nieuwe opdrachten te verkrijgen.
Zijn stelling dat hij op zoek is naar werk in loondienst, wordt niet ondersteund met bijvoorbeeld sollicitatiebrieven, afwijzingen of andere bewijsstukken.
Een enkele kopie van een bankafschrift waaruit volgt dat V een voorschot heeft ontvangen op de Bijstand voor Zelfstandigen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij niet langer over draagkracht beschikt om de kinderalimentatie te voldoen.
Ten aanzien van zijn overige onderhoudsverplichtingen jegens zijn twee andere kinderen is ook geen nadere financiële informatie verstrekt. V stelt dat zijn huidige partner een uitkering ontvangt, maar heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd.
Het hof concludeert dat V zijn verweer ten aanzien van zijn draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft nagelaten voldoende financiële informatie te verstrekken, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. Het komt voor zijn rekening en risico dat het hof hierdoor geen volledig beeld heeft kunnen krijgen van zijn financiële situatie.
De volledige uitspraak is hier te lezen.