Geen limitering van de partneralimentatie, maar wel een nihilstelling
In deze zaak zijn partijen getrouwd geweest en in 2012 gescheiden. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren, die hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie. De Rechtbank beslist desgelijks. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud bedraagt € 435,– per maand.
De vrouw verzoekt de Rechtbank om de door de man aan haar te betalen partneralimentatie te bepalen op € 444,– per maand. Op zijn beurt verzoekt de man de Rechtbank, zich beroepende op gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, om zijn onderhoudsverplichting jegens zijn ex-vrouw te laten eindigen op 23 november 2017.
Tijdens de rechtszaak bereiken partijen overeenstemming over de hoogte van de partneralimentatie, en wel dat deze € 259,– per maand zal bedragen. Niet eens worden partijen het over de door de man verzochte limitering van de alimentatie in duur.
Gelet op de overeenstemming tussen partijen hierover, stelt de Rechtbank de door de man te betalen partneralimentatie vast op € 259,– per maand en bepaalt dat de onderhoudsverplichting jegens de vrouw eindigt op 1 november 2019. Tegen die laatste beslissing gaat de vrouw in hoger beroep.
Het Gerechtshof is van oordeel dat de Rechtbank de alimentatieplicht van de man op foutieve gronden heeft gelimiteerd. Nu partijen eerder (ten tijde van de echtscheiding in 2012) een overeenkomst ter zake van de partneralimentatie hebben gesloten, en daarbij geen alimentatieduur hebben afgesproken, kan wijziging van die overeenkomst ten aanzien van de alimentatieduur enkel worden verzocht op grond van gewijzigde omstandigheden ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW (anders dan de vrouw stelt, geldt hier niet de zware toets van artikel 1:401 lid 2 BW, nu hierin geen verwijzing naar artikel 1:157 lid 4 BW is opgenomen). Deze beoordeling heeft de Rechtbank niet verricht.
Het Hof is van oordeel dat de man geen omstandigheden heeft aangevoerd die ertoe zouden moeten nopen dat er op het punt van alimentatieduur ten opzichte van de situatie ten tijde van de alimentatieovereenkomst sprake is van een andere situatie. Hetgeen de man heeft gesteld omtrent opleiding, werkervaring, leeftijd van de vrouw en van de kinderen behelzen niet dergelijke omstandigheden. Deze waren immers ten tijde van de overeenkomst bekend.
Voor zover het overige door de man aangevoerde als een wijziging van omstandigheden kan worden opgevat, acht het Hof – in het licht van de hoge eisen die gesteld worden aan een limiteringsverzoek – niet voldoende onderbouwd waarom na 1 november 2019 definitief een einde zou moeten worden gemaakt aan het recht van de vrouw op partneralimentatie. Dit neemt echter niet weg dat de vrouw zich hoort in te spannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank ten aanzien van de limitering van de alimentatieduur en wijst het betreffende verzoek van de man alsnog af. Niettemin, nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij per 1 november 2019 nog behoeftig is, stelt het Hof de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 november 2019 vast op nihil.
De volledige uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 1 februari 2018 is hier te lezen.