Geen recht meer op partneralimentatie na grievend gedrag
Uit het huwelijk tussen de vrouw (V) en de man (M) zijn twee kinderen geboren. Partijen oefenen gezamenlijk gezag uit over hun kinderen, die hun hoofdverblijf bij hun moeder hebben.
De rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie bepaald op een bedrag van € 631,– per maand.
In hoger beroep verzoekt M om beëindiging van zijn alimentatieplicht jegens V en om terugbetaling van het bedrag dat hij (te veel) heeft betaald.
Sinds 2024 heeft M de kinderen niet meer gezien, omdat V met hen is ondergedoken op een voor hem onbekende locatie en de kinderen niet meer naar school heeft laten gaan sinds januari 2025.
Lotsverbondenheid is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht (art. 1:157 BW). Bij de beoordeling of een bijdrage in het levensonderhoud nog redelijk is, dient het hof alle relevante omstandigheden van het geval in overweging te nemen. Hieronder zijn ook niet-financiële factoren te verstaan, zoals gedragingen van de alimentatieverzoekende echtgenoot.
De vraag is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de ander. Dit hangt mede af van de vraag of er nog sprake is van lotsverbondenheid. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat de lotsverbondenheid is verbroken, bijvoorbeeld wanneer één van de partijen zich jegens de ander zodanig grievend heeft gedragen dat betaling van partneralimentatie niet langer gevergd kan worden.
Het enkele feit dat de alimentatiegerechtigde zich grievend heeft gedragen tegenover de onderhoudsplichtige, betekent niet automatisch dat de lotsverbondenheid is verbroken. De rechter dient hierbij terughoudend te zijn, gezien het onherroepelijke karakter van het beëindigen of matigen van de onderhoudsverplichting. Bovendien moet worden meegewogen dat echtscheidingen vaak gepaard gaan met hevige emoties. Niet iedere vorm van grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen.
M stelt dat de lotsverbondenheid in dit geval is verbroken en dat V daarom geen recht meer heeft op partneralimentatie. Hij wijst op een aantal gedragingen van V die als grievend moeten worden beschouwd, te weten: valse beschuldigingen van kindermishandeling en huishoudelijk geweld, suggesties van seksueel misbruik, valse aangiftes namens de kinderen bij de politie en valse verklaringen over M bij zijn werkgever. Daarnaast zou V zich op destructieve wijze hebben opgesteld tijdens pogingen tot overleg en hulpverlening en toonde zij een minachtende houding ten opzichte van de rechtspraak. Ook werden er medische handelingen bij de kinderen verricht zonder enige vorm van overleg met M en zouden de kinderen maandenlang aan zijn gezag zijn onttrokken.
V betwist dat zij zich jegens M grievend heeft gedragen.
Het hof oordeelt dat V zich zodanig grievend jegens M heeft gedragen, dat van hem niet gevergd kan worden dat hij nog partneralimentatie aan haar betaalt. Bovendien blijkt dat het inkomen van V dermate hoog is dat zij zelf in haar behoefte kan voorzien.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank voor wat betreft de partneralimentatie en oordeelt dat V de te veel ontvangen partneralimentatie aan M dient terug te betalen.
De volledige uitspraak is hier te lezen.