Geslaagd beroep op artikel 1:160 BW: nihilstelling van de partneralimentatie
Partijen zijn in 1978 met elkaar getrouwd, uit welk huwelijk twee – inmiddels meerderjarige – kinderen zijn geboren. In 2009 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De Rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op € 2.380,– per maand.
Partijen twisten over de vraag of de vrouw met haar nieuwe partner X is gaan samenleven als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW. Volgens de man is dat het geval. De vrouw betwist dit en stelt dat zij nog altijd recht heeft op partneralimentatie.
De Rechtbank volgt het betoog van de man en bepaalt, overeenkomstig zijn verzoek, de partneralimentatie met ingang van 5 september 2016 op nihil. De vrouw gaat tegen deze beschikking in hoger beroep.
Naar het oordeel van het Gerechtshof heeft de vrouw onvoldoende betwist dat tussen haar en X sprake was van een duurzame affectieve relatie, waarbij zij met X heeft samengewoond. De man heeft in dit kader drie schriftelijke verklaringen overgelegd, waarin gedetailleerd de relatie tussen de vrouw en X wordt beschreven, alsmede hun samenwoning gedurende lange tijd op diverse adressen in Nederland en in de Verenigde Staten. Verder heeft hij een brief overgelegd waaruit blijkt dat X een verblijfsvergunning heeft aangevraagd voor verblijf bij zijn partner, de vrouw. Tegenover dit alles staan slechts blote ontkenningen van de vrouw en twee beknopte verklaringen van X en een dochter van partijen.
De door de vrouw overgelegde ‘Mededeling meldplicht’ van de politie toont, anders dan de vrouw betoogt, niet aan dat X niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat geen sprake is van een relatie tussen hem en de vrouw, maar toont slechts aan dat X op dat moment niet beschikte over een verblijfsvergunning. Onduidelijk is wat op de door de man overgelegde verblijfsvergunningsaanvraag van X is beslist, en – indien deze is afgewezen – om welke reden. Het had op de weg van de vrouw gelegen om, in het kader van haar betwisting daarover, meer duidelijkheid te verschaffen. Gelet op dit alles staat voor het Hof vast dat sprake was van een duurzame affectieve relatie en van samenwoning tussen de vrouw en X.
De man heeft zijn stelling dat sprake is van wederzijdse verzorging en van een gemeenschappelijke huishouding ook onderbouwd met drie door hem overgelegde gedetailleerde schriftelijke verklaringen. Uit die verklaringen blijkt – naast het feit dat de vrouw en X gedurende lange tijd op verscheidende adressen in Nederland en in de Verenigde Staten hebben samengeleefd – dat zij elkaar daarbij over en weer (financieel) hebben ondersteund, onder meer met het oog op de zwakke gezondheid van de vrouw. Ook de door de advocaat van X ingediende verblijfsvergunningsaanvraag vormt een sterke aanwijzing dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding met wederzijdse verzorging. Immers, in die aanvraag wordt expliciet verwezen naar het inkomen van de vrouw uit partneralimentatie waarmee zij X zou kunnen onderhouden. Hiertegenover staan opnieuw slechts blote ontkenningen van de vrouw.
De blote ontkenningen van de vrouw acht het Hof onvoldoende. Het had op haar weg gelegen om, daar waar de man gedetailleerde verklaringen heeft overgelegd, meer bewijs in te brengen, bijvoorbeeld stukken waaruit de reden voor het afwijzen van de verblijfsvergunning van X blijkt, anders dan de enkele stelling dat geen sprake is van partnerschap.
Bij deze stand van zaken ziet het Hof geen grond om de vrouw nog toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. Het moet ervoor worden gehouden dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift door de man in eerste aanleg, te weten met ingang van 5 september 2016, aan de vereisten van artikel 1:160 BW was voldaan. De man heeft hieraan in zijn inleidend verzoek als conclusie verbonden dat de alimentatie op nihil dient te worden gesteld, in plaats van beëindigd op grond van artikel 1:160 BW. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen. Nu tegen dat verzoek tot nihilstelling in plaats van beëindiging op zichzelf niet is gegriefd, bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank.
De volledige uitspraak is hier te lezen.