Groot verschil in welvaartsniveau tussen gezin vader en gezin moeder
In deze zaak zijn partijen gehuwd geweest. Tijdens hun huwelijk hebben de man en de vrouw samen een dochter gekregen. Het huwelijk is inmiddels door echtscheiding ontbonden, waarbij de dochter haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.
Bij gerechtelijke beschikking is vastgesteld hoeveel kinderalimentatie de man aan de vrouw verschuldigd is. De man is inmiddels hertrouwd met een nieuwe partner, X. Uit het nieuwe huwelijk van de man is een zoon geboren.
De man heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht om de kinderalimentatie naar beneden bij te stellen. Dit verzoek is door de rechtbank toegewezen. De vrouw was het niet eens met dit nieuwe vastgestelde bedrag en gaat tegen deze uitspraak in hoger beroep.
Het Gerechtshof in hoger beroep deelt het standpunt van de rechtbank dat het in beginsel redelijk is dat de draagkracht van de alimentatieplichtige evenredig wordt verdeeld over zowel de zoon als de dochter, waarvoor hij beiden onderhoudsplichtig is. Het hof neemt echter ook de ongelijke financiële positie van de vrouw, die een inkomen op bijstandsniveau geniet en de man, die samen met zijn vrouw een gezinsinkomen van circa € 100.000,– bruto per jaar geniet, in acht. Op basis hiervan komt het Hof tot een andere behoefteverdeling dan de rechtbank, met name omdat de draagkracht van de man ruim voldoende is om te kunnen voorzien in de behoefte van zijn beide kinderen.
De man heeft op basis van zijn inkomen een draagkracht volgens de tabellen van € 758,– per maand voor het betalen van kinderalimentatie. Dit zou bij een verdeling bij helfte uitkomen op een bedrag van € 379,– per kind. De man en zijn nieuwe echtgenote hebben een gezamenlijke draagkracht van € 1.123,– per maand, hetgeen de behoefte van hun zoon ad € 900,– per maand overschrijdt.
De gezamenlijke draagkracht van partijen voor de dochter komt uit op in totaal € 661,– per maand, hetgeen eveneens de behoefte van de dochter (die door partijen is vastgesteld op € 516,– per maand) overschrijdt.
Gelet op de overschrijding van beide behoeften en de ongelijke financiële posities tussen de man en de vrouw, acht het Hof het in dit geval redelijk dat een gedeelte van de draagkracht van de man en zijn vrouw voor de zoon, wordt gebruikt om te voorzien in de behoefte van de dochter. Zo worden de financiële posities van beide partijen meer gelijkgetrokken, waardoor de dochter (die afwisselend bij de man en de vrouw verblijft) bij beide partijen in een meer gelijke financiële situatie terechtkomt.
De beschikking in eerste aanleg wordt in hoger beroep vernietigd en het door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 275,– per maand.
Gerechtshof Den Haag 4 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3285