Hof stopt partneralimentatie ondanks wet: redelijkheid en billijkheid wegen zwaarder
De man (M) en de vrouw (V) zijn in Rusland met elkaar gehuwd en hebben samen in Nederland gewoond. V heeft alleen de Russische nationaliteit, M is zowel Russisch als Nederlands.
Tijdens de echtscheidingsprocedure trof de rechtbank voorlopige voorzieningen, waarbij V werd gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de voormalig echtelijke woning en M haar maandelijks € 2.294,– aan partneralimentatie moest betalen.
In hoger beroep verzoekt V het gerechtshof om deze voorlopige alimentatie op te hogen naar € 4.009,– per maand. Zij stelt dat haar behoefte hoger ligt en dat zij niet in staat is om zelf in haar levensonderhoud te voorzien, onder meer omdat zij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en wordt afgewezen vanwege haar Russische achtergrond.
Het hof stelt echter vast dat V tijdens het huwelijk in de recruitmentsector werkte en daarbij een aanzienlijk inkomen had van € 7.404,– bruto per maand. Ook beschikt zij over een hoog opleidingsniveau, spreekt zij vloeiend Engels en woont zij al ruim acht jaar in Nederland.
Het hof acht het zeer onwaarschijnlijk dat V niet in staat zou zijn om opnieuw een passende baan te vinden.
Hoewel V stelt dat zij veelvuldig solliciteert en 645 pagina’s heeft overlegd met ontvangstbevestigingen van ruim 3.400 sollicitaties, overtuigt dit het hof niet. De ingebrachte stukken bevatten slechts schermafbeeldingen van ontvangstbevestigingen zonder nadere toelichting, concrete afwijzingen of bewijs van serieuze sollicitatiepogingen.
Uit de stukken is niet gebleken dat V zich voldoende heeft ingespannen om in haar eigen behoefte te voorzien.
Daarmee heeft V de door haar gestelde behoeftigheid onvoldoende onderbouwd. Het hof wijst het verzoek tot partneralimentatie daarom af.
M verzocht het hof om de voorlopige partneralimentatie te wijzigen in de zin dat hij niet meer gehouden is om V een voorlopige partneralimentatie te betalen.
Hoewel de wet vereist dat voorlopige voorzieningen blijven gelden tot een definitieve uitspraak in kracht van gewijsde gaat, oordeelt het hof hier anders.
In twee instanties is inmiddels vastgesteld dat V geen recht heeft op partneralimentatie.
Voortzetting van de voorlopige partneralimentatie van €2.294,– per maand staat in zodanige wanverhouding tot de feitelijke situatie, dat instandhouding van deze verplichting in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Het hof wijzigt daarom de voorlopige voorziening zodanig dat M met ingang van 9 juli 2025 geen voorlopige partneralimentatie meer aan V hoeft te betalen.
De volledige uitspraak is hier te lezen