Hoge Raad beslist dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de man zijn draagkracht gelijkelijk over zijn zes kinderen dient te verdelen
Uit de – beëindigde – affectieve relatie tussen de man en de vrouw is in 2010 zoon Z geboren. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder. De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 25,– per maand.
In hoger beroep stelt de man zich op het standpunt dat zijn voor Z beschikbare draagkracht mede wordt bepaald door zijn onderhoudsplicht jegens zijn vijf kinderen uit andere relaties en dat de aan hem ter beschikking staande draagkracht gelijkelijk door zes gedeeld dient te worden. Het Gerechtshof volgt dat betoog van de man en overweegt: “Hoewel de man niet met stukken heeft gestaafd hoeveel hij bijdraagt aan het levensonderhoud van de vijf andere kinderen en geen financiële gegevens betreffende de draagkracht van hun moeders in het geding heeft gebracht, acht het hof het aannemelijk dat [hij] bijdraagt in het levensonderhoud van de andere kinderen. Gelet op de hoogte van de draagkracht van de man en het feit dat hij onderhoudsplichtig is ten opzichte van zes kinderen, acht het hof het redelijk om de draagkracht van de man gelijkelijk over zijn zes kinderen te verdelen”.
De vrouw gaat in cassatie bij de Hoge Raad en klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de draagkracht van de man ten opzichte van Z berekend dient te worden door die draagkracht gelijkelijk over zijn zes kinderen te verdelen, zonder daarbij rekening te houden met de bijdragen die de man feitelijk voor deze kinderen betaalt, noch met het feit dat de moeders van deze kinderen ook onderhoudsplichtig zijn.
De Hoge Raad overweegt dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht onvoldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen in beginsel gelijkelijk wordt verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld ingeval er sprake is van een duidelijk verschil in behoefte van de betrokken kinderen.
Indien een ouder verschillende relaties is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, moet niet alleen rekening worden gehouden met het feit dat hij of zij verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting (kan) rust(en). Zodoende kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere of latere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder (zie HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295).
Voor de beantwoording van de vraag welk deel van de draagkracht van de man beschikbaar is voor Z, is dan ook van belang hoe hoog de behoefte van de kinderen uit de andere relaties is en of die moeders kunnen bijdragen in de kosten van hun kind(eren) uit de relatie met de man (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:157).
Nu het Hof heeft geoordeeld dat de draagkracht van de man gelijkelijk over zijn zes kinderen moet worden verdeeld, zonder dat het de behoefte van de vijf andere kinderen en de draagkracht van hun moeders in zijn overwegingen heeft betrokken, heeft het Hof ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, danwel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt en verwijst.
De uitspraak is hier na te lezen.