Inkomensverklaring Belastingdienst Caribisch Nederland volstaat niet om draagkracht te kunnen vaststellen
Partijen zijn in 1970 met elkaar getrouwd, welk huwelijk in 1989 door echtscheiding is ontbonden. De Rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op fl. 2.000,– per maand.
In 2004 heeft de man de Rechtbank verzocht om de door hem te betalen partneralimentatie op nihil te stellen. De Rechtbank heeft dit verzoek destijds afgewezen, waarna de man desondanks zijn maandelijkse bijdragen aan de vrouw staakt.
In deze zaak verzoekt de man aan de Rechtbank om de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 april 2004 op nihil te stellen. De man voert in dit kader aan dat hij in 2004 naar Bonaire is verhuisd en sindsdien geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen. De Rechtbank wijst het verzoek toe, in die zin dat het de alimentatieplicht van M met ingang van 26 augustus 2015 beëindigt. De vrouw komt hiertegen in hoger beroep.
Het Gerechtshof vernietigt de beschikking van de Rechtbank en wijst het verzoek van M alsnog af, overwegende:
“De man heeft zijn stelling dat hij vanaf 2004 geen draagkracht had om partneralimentatie te betalen, onvoldoende onderbouwd. Hij heeft slechts belastingaangiftes vanaf 2005 overgelegd. De daarmee corresponderende aanslagen ontbreken evenwel, zodat het hof niet kan vaststellen wat zijn inkomsten in die jaren waren en evenmin wat zijn draagkracht in die jaren was.”
De uitspraak van het hof is hier te lezen.
In cassatie klaagt de man over het oordeel van het Hof dat hij onvoldoende zou hebben onderbouwd dat hij vanaf 2004 geen draagkracht had om partneralimentatie te betalen. De man wijst in dit kader op de door hem ingebrachte inkomensverklaringen van de Belastingdienst Caribisch Nederland. Volgens de man zijn dit officiële overzichten, die in plaats van een aanslag kunnen worden gebruikt om het inkomen over een bepaald jaar aan te tonen.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof met de woorden “belastingaangiftes vanaf 2005” klaarblijkelijk doelt op de door de man overgelegde inkomensverklaringen over de jaren 2005 tot en met 2012. Uit die inkomensverklaringen blijkt dat de man in genoemde jaren de volgende bedragen aan jaarinkomen heeft genoten: nihil (2005, 2006 en 2007), € 533,– (2008), € 3.766,– (2009), € 3.732,– (2010), € 9.445,– (2011) en € 9.998,– (2012).
Het Hof heeft de door de man overgelegde inkomensverklaringen onvoldoende geoordeeld om zijn draagkracht vast te kunnen stellen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op het feit dat de inkomensverklaringen slechts de vermelding van voornoemde bedragen bevatten, zonder dat duidelijk is waarop deze anders zijn gebaseerd dan op de eigen opgave van de man, en de man geen andere stukken heeft ingebracht die nadere informatie geven over zijn inkomen in de betreffende jaren.
De Hoge Raad verwerpt het door de man ingestelde cassatieberoep.
De uitspraak van de Hoge Raad is hier terug te lezen.