Als bij de vaststelling van kinderalimentatie de werkelijke woonlasten "duurzaam aanmerkelijk lager" zijn, dient daarmee te worden gerekend
In deze zaak was de affectieve relatie tussen partijen in 2015 beëindigd. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, die hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. In onderling overleg hebben de ouders een kinderalimentatie afgesproken van € 225,– per kind per maand.
Vier jaar later dient de vrouw een verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie in bij de Rechtbank, waarin zij verzoekt om de kinderalimentatie per 1 juli 2019 vast te stellen op een bedrag van € 340,– per kind per maand. Dit verzoek wordt door de Rechtbank afgewezen en er wordt een lagere kinderalimentatie vastgesteld, namelijk € 162,– per kind per maand.
Van deze beschikking gaat de vrouw in hoger beroep. Het Hof Arnhem-Leeuwarden besluit de beschikking van de Rechtbank te bekrachtigen, waarop zij in cassatie gaat. Deze uitspraak van het Hof is hier te lezen.
Bij de Hoge Raad betoogt de vrouw dat het Hof niet van de daadwerkelijke draagkracht van de man is uitgegaan. Het Hof had dit dienen te onderzoeken, aangezien er in appèl door de man is erkend dat zijn werkelijke woonlasten € 95,– per maand bedragen, terwijl in de alimentatieberekening met een forfaitaire woonlast van € 678,30 rekening is gehouden. Ten gevolge hiervan was er onvoldoende draagkracht om in de kosten van de verzorging en de opvoeding van de kinderen te voorzien. De vrouw stelt dat indien wél rekening gehouden zou worden met de daadwerkelijke woonlasten van de man er wél draagkracht zou ontstaan om in de kosten van de kinderen te voorzien.
De Hoge Raad overweegt dat het hanteren van de forfaitaire woonlast in wezen niet in strijd met de wettelijke maatstaven is. Deze hantering voorkomt namelijk dat elke verandering in een woonsituatie aanleiding geeft tot een wijzigingsverzoek, maar dient ook de rechtszekerheid en voorspelbaarheid.
Indien echter met de berekende draagkracht niet of slechts deels in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien, maar er wel aanwijzingen zijn dat de woonlasten van de alimentatieplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten, dan dient de rechter steeds na te gaan of de draagkracht van de alimentatieplichtige met inachtneming van de werkelijke woonlasten kan leiden tot een hogere kinderalimentatie.
Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, dient de rechter deze hogere bijdrage op te leggen of te motiveren waarom hij hiertoe geen aanleiding ziet gelet op de verdere omstandigheden van het geval. Er is blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Hof waar geoordeeld is dat slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken kan worden van de forfaitaire berekening van de woonlasten bij de vaststelling van kinderalimentatie.
De Hoge Raad vernietigt en verwijst de zaak, waarbij het Hof – indien bij toepassing van het forfaitaire rekensysteem niet of deels in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien – de werkelijke woonlasten van de man dient te onderzoeken, alsook of zijn draagkracht door rekening te houden met de werkelijke woonlasten hoger uit zou vallen en daardoor sprake kan zijn van een hogere onderhoudsbijdrage. Mocht dit het geval zijn, dan dient het Hof deze hoger uitkomende kinderalimentatie op te leggen of gemotiveerd te beargumenteren waarom, gelet op de omstandigheden van het geval, hiertoe niet wordt overgegaan.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.