Kinderalimentatie-overeenkomst: bewuste afwijking van wettelijke maatstaven?
In deze casus hebben partijen een relatie met elkaar gehad, waaruit in 2015 dochter D is geboren. Vast staat dat de man de verwekker van D is. Van rechtswege oefent de vrouw het eenhoofdig ouderlijk gezag over D uit. Partijen verbreken hun relatie na de geboorte van D. In september 2015 maakt de man aan de vrouw een bedrag van € 1.000,– over. Onder druk van de vrouw blijft de man dit bedrag maandelijks aan haar betalen.
In april 2016 laat de vrouw door haar advocaat een overeenkomst opstellen, waarin in artikel 3.1 is opgenomen: “De bijdrage van de man in de kosten van D zijn door partijen in onderling overleg begroot op € 1.000,–. Dit bedrag wordt door de man reeds vanaf september 2015 overgemaakt naar het rekeningnummer van de vrouw. Partijen zijn ermee bekend dat de hoogte van dit bedrag afwijkt van de wettelijke maatstaven. De afwijking is overeengekomen omdat de man vooralsnog geen rol kan/wil spelen in het leven van D en hij ervoor kiest om het bestaan van D in zijn directe omgeving vooralsnog niet kenbaar te maken. De volledige verzorging en opvoeding van D moet dus worden uitgevoerd door de vrouw, waardoor zij wordt beperkt in het benutten van haar verdiencapaciteit”.
De man weigert om de overeenkomst te ondertekenen en even daarna stopt hij met betalen. In reactie daarop betrekt de vrouw hem in rechte.
Partijen strijden over de vraag of zij een overeenkomst over de hoogte van de kinderalimentatie voor D hebben gesloten en zo ja, of deze overeenkomst is aangegaan met een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. Verder verschillen partijen van mening over de grondslagen die hebben geleid tot het gedurende een bepaalde periode door de man aan de vrouw betaalde bedrag van € 1.000,– per maand.
Naar de mening van de vrouw is in de overeenkomst het bedrag aangehouden dat de man – na overeenstemming over de hoogte van het bedrag – in september 2015 is gaan betalen. Bij de bepaling ervan hebben partijen als uitgangspunt genomen hetgeen D aan bijdrage nodig had, waarbij rekening is gehouden met het feit dat de man geen deel kan/wil nemen in de zorgtaken. Partijen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven omdat de vrouw – nu alle zorgtaken voor D op haar schouders terecht komen – in haar werk als zelfstandig rijschoolhouder wordt beperkt in het aantal uren dat zij kan werken. De vrouw stelt dat partijen hierbij bewust hebben gekozen voor een kinderbijdrage waarin een component voor het levensonderhoud van de vrouw is begrepen.
De man betoogt dat hij in september 2015 eenmalig een bedrag van € 1.000,– heeft voldaan omdat hij enige maanden niets had bijgedragen, maar dat hieraan geen berekening vooraf is gegaan. Nadien heeft hij aan de vrouw aangegeven dat hij bereid is om te betalen voor D, maar dat hij zich niet kan/wil vastleggen aan betaling van een bedrag van € 1.000,– per maand. Hij geeft aan de vrouw herhaaldelijk te hebben laten weten dat deze bijdrage ver boven de verplichte bijdrage ligt en dat hij dat bedrag financieel niet kon (en kan) opbrengen.
In appèl overweegt het Gerechtshof als volgt. De man is in september 2015 gestart met betaling van de bijdrage zonder dat hij enige vorm van juridische bijstand heeft gehad. Ook de vrouw heeft verklaard destijds de (financiële) kwesties rond D enkel met een vriendin te hebben besproken. Verder heeft de man verklaard dat hij tot medio 2016 zich niet bewust is geweest dat dit bedrag te hoog zou zijn. Hij geeft voor D gedaan te hebben wat mogelijk was, mede uit schuldgevoelens en vrees dat zijn (inmiddels ex-)partner achter het bestaan van D zou komen en de consequenties die dat vervolgens zou kunnen hebben voor zijn relatie, alsmede voor de kinderen uit zijn eerdere relatie, waarvan de moeder was overleden. Pas op het moment ast de vrouw aangaf de bijdrage voor D schriftelijk te willen vastleggen, heeft hij een keer met zijn notaris gesproken, die toen aangaf dat € 1.000,– per maand “best hoog” was.
Naar het oordeel van het Hof hebben partijen ten tijde van de totstandkoming van deze overeenkomst niet bewust willen afwijken van de wettelijke maatstaven, indien en voor zover er al sprake zou zijn van een overeenkomst. Het hof hecht hierbij waarde aan het feit dat partijen zich bij aanvang van de betaling van de bijdrage niet juridisch hebben laten bijstaan. Partijen, althans de man, waren niet op de hoogte van een bijdrage die in hun situatie gebruikelijk zou zijn, zodat zij daarvan ook niet bewust hebben kunnen afwijken. Bovendien is een schriftelijke overeenkomst niet tot stand gekomen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
Het Gerechtshof berekent de behoefte van D, aan de hand van de Alimentatienormen, op € 588,– per maand. Dat betekent dat een bijdrage van € 1.000,– per maand een grove miskenning van de wettelijke maatstaven inhoudt: de man betaalt (veel) meer dan waartoe hij op basis van de behoefte van D gehouden is. Het verschil kan ook niet worden verklaard doordat het meerdere voor de vrouw bedoeld zou zijn, nu de man geen onderhoudsplicht jegens de vrouw heeft. Bij de vraag of sprake is (geweest) van grove miskenning van de wettelijke maatstaven dient tevens te worden betrokken dat de man ook onderhoudsverplichting jegens zijn twee andere kinderen is en zijn draagkracht dient te worden verdeeld over alle kinderen waarvoor hij een onderhoudsverplichting heeft. Uit de stukken is niet gebleken dat met dit aspect rekening is gehouden.
Het Hof stelt de door de man te betalen bijdrage voorlopig – in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure – vast op een bijdrage van € 500,– per maand, waarbij de vrouw voorlopig in het restant van de behoefte van D geacht wordt te kunnen voorzien.
De volledige uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5463) is hier te lezen.