Hoge Raad: klachten over de door het Hof opgestelde draagkrachtberekening terecht
In deze zaak zijn partijen in 2015 gescheiden. De rechtbank heeft in de echtscheidingsprocedure de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 1.362,– per maand. De man heeft inmiddels een nieuwe relatie. Zijn partner heeft drie kinderen uit een eerdere relatie.
De man heeft de Rechtbank verzocht om de partneralimentatie op een lager bedrag vast te stellen. De Rechtbank wijst dit verzoek af, waarop de man in hoger beroep gaat.
Het Hof vernietigt de beslissing van de Rechtbank en bepaalt de partneralimentatie op € 1.179,– per maand.
De man gaat bij de Hoge Raad in cassatie, waarbij hij klaagt over de door het Hof opgestelde – aan de uitspraak gehechte – draagkrachtberekening.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof bij de berekening van de draagkracht van de man in beginsel is uitgegaan van de door de man overgelegde draagkrachtberekening. Het Hof acht het redelijk en billijk om de hypotheekcompensatie die de man ontvangt voor de helft mee te nemen. De man wordt immers geacht om deze lasten met zijn nieuwe partner te delen. Voorts heeft het Hof de helft van de aftrekbare rentelasten aan de man toegerekend.
In de door de man overgelegde draagkrachtberekening staan rentelasten ten aanzien van de eigen woning ad € 24.411,- per jaar opgevoerd. De helft hiervan bedraagt circa € 12.206,– per jaar. Volgens de Hoge Raad is het hierdoor onbegrijpelijk dat het Hof – zonder nadere motivering – onder het kopje ‘Rente en kosten van de (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning’ een bedrag van € 12.968,– heeft meegenomen. Dit (foutieve) bedrag werkt vervolgens door in meerdere overige onderdelen van de draagkrachtberekening.
Dat het Hof verder heeft geoordeeld dat de helft van de rentelasten voor rekening van de nieuwe partner van de man dienen te komen, waarbij eveneens een nadere motivering ontbreekt, is onbegrijpelijk als het Hof vervolgens de bijdrage heeft gesteld op de helft van de ‘Hypotheekrente aftrekbaar’ en daardoor slechts op een kwart van de totale hypotheekrente.
In post 83 (‘Rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning’) heeft het Hof als rentelasten de helft van de hypotheekrente genomen, omdat de man geacht kan worden om de rentelasten met zijn partner te delen. Dit betekent dat in het onderdeel ‘Aftrekpost in verband met eigen woning’, dat onder post 83 valt, al is verdisconteerd dat de man de hypotheeklasten met zijn partner deelt. Hieruit volgt dat die aftrekpost volledig aan de man zou moeten toekomen en niet voor de helft aan zijn partner. Dat het Hof de aftrekpost toch voor de helft aan de partner van de man heeft toebedeeld, maakt de draagkrachtberekening onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de overige posten van de draagkrachtberekening, die daar vanaf post 94 op voortbouwen.
Bovendien heeft te gelden dat het Hof heeft overwogen dat het voor wat betreft de bepaling van de draagkracht van de man van de door hem overgelegde draagkrachtberekening is uitgegaan en dat het de kosten van zijn stiefkinderen daarbij in aanmerking zijn genomen. In de draagkrachtberekening van het Hof is echter geen post, noch onderdeel daarvan, te vinden met een omschrijving waaruit voldoende duidelijk blijkt dat het de kosten voor de stiefkinderen van de man betreft.
De Hoge Raad vernietigt en verwijst.
De uitspraak is hier na te lezen.