Ontslag op staande voet: verwijtbaar inkomensverlies?
In deze zaak ging het om een man en de vrouw die uit hun in 2012 ontbonden huwelijk twee minderjarige kinderen hadden gekregen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder. De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op € 500,– per kind per maand bepaald, en de partneralimentatie op € 968,– per maand.
De man verzoekt de rechtbank de door hem aan de vrouw te betalen partner- en kinderalimentatie op nihil te stellen. De man beroept zich in dit kader op gewijzigde omstandigheden in dit zin van artikel 1:401 lid 1 BW, te weten zijn ontslag op staande voet. De man ontvangt een uitkering op grond van de Wet Werk en bijstand van € 447,25 per maand. Het ontbreekt hem derhalve aan draagkracht om de vastgestelde kinder- en partneralimentatie te voldoen, aldus de man.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af, stellende dat zijn inkomensverlies weliswaar niet meer voor herstel vatbaar is, maar wel verwijtbaar is. De man gaat in hoger beroep bij het hof Den Haag.
Het gerechtshof overweegt dat de man sinds 2006 in loondienst werkte, waarbij zijn draagkracht de vastgestelde kinder- en partneralimentatie toeliet. De man is op staande voet ontslagen. Als gevolg van de verwijtbaarheid van het ontslag komt de man niet in aanmerking voor een WW-uitkering. De vraag is of de door het ontslag van de man veroorzaakte inkomensterugval bij de berekening van zijn draagkracht buiten beschouwing moet worden gelaten.
Helder is dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar is. Dat leidt tot de vervolgvraag of deze inkomensterugval verwijtbaar is. Daarbij is niet noodzakelijk beslissend waartoe de man gehouden was jegens zijn voormalige werkgever, noch of hem in verband daarmee een verwijt treft.
Anders dan de vrouw betoogd, is naar het oordeel van het hof, niet gebleken dat bij de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, in die zin dat hij zich uit hoofde van zijn verhouding tot de vrouw en de kinderen van de gedragingen die het (onherstelbare) inkomensverlies hebben veroorzaakt, had behoren te weerhouden. De man heeft niet zelf ontslag genomen, maar werd ontslagen vanwege een conflict met zijn leidinggevende over het niet nakomen van de werktijden. De leidinggevende wilde geen rekening te houden met de zorgtaken van de man jegens zijn kinderen, hetgeen vanuit het perspectief van een werkgever een verdedigbaar standpunt is. Vanuit het perspectief van de man bezien – in het kader van zijn vaderrol – acht het hof het evenwel begrijpelijk dat hij ook een zo goed mogelijke invulling wenst te geven aan zijn (wettelijk en morele) plicht om zijn kinderen op te voeden.
Het hof is van oordeel dat de man in zijn verhouding tot de vrouw niet verwijtbaar heeft gehandeld. Conflicten in arbeidsverhoudingen komen regelmatig voor en dat een dergelijk conflict tot een beëindiging van het dienstverband leidt, brengt naar het oordeel van het hof niet altijd mee dat de gevolgen daarvan alleen op de alimentatieplichtige moeten rusten. Indien de vrouw nog met de man getrouwd zou zijn geweest, had zij ook de (nadelige) financiële consequenties van het ontslag ondervonden. Hoewel de man in het conflict met zijn voormalig werkgever wellicht fouten heeft gemaakt en niet juist heeft gehandeld, acht het hof het inkomensverlies van de man daardoor niet zodanig verwijtbaar dat daarvan uitsluitend de gevolgen voor rekening van de man zouden moeten komen. Het hof oordeelt dan ook in zoverre dat er geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies is.
Nu er geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, gaat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man niet uit van zijn laatstverdiende salaris, maar van het feitelijke inkomen dat de man geniet, te weten zijn uitkering op grond van de Wet Werk en bijstand ad € 447,25 per maand. Daarmee heeft hij geen draagkracht om enige onderhoudsbijdrage aan de vrouw te kunnen voldoen. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de man alsnog toe.
Lees hier de volledige uitspraak van het hof Den Haag van 13 september 2017.