Onvoldoende onderbouwing om partneralimentatie toe te wijzen
Partijen zijn in 2019 met elkaar gehuwd. In 2020 gaan zij feitelijk uit elkaar, als de dan zwangere vrouw de echtelijke woning verlaat en haar intrek elders neemt. In 2021 bevalt de vrouw van zoon Z, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2022 wordt het huwelijk ontbonden door echtscheiding. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
De vrouw verzoekt de rechtbank om de door de man aan haar te betalen partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van € 1.782,– per maand. De rechtbank wijst dit verzoek toe. De man gaat in hoger beroep.
Volgens de man heeft de vrouw haar behoefte niet aangetoond en is er van lotsverbondenheid, nu het huwelijk van zeer korte duur was, geen sprake. Bovendien kan van hem, gelet op de misdragingen van de vrouw, in redelijkheid niet worden gevergd dat hij in de kosten van haar levensonderhoud bijdraagt. Zo heeft de vrouw op verschillende manieren het contact tussen hem en Z gefrustreerd en heeft zij een valse aangifte tegen hem gedaan. Los daarvan heeft de vrouw voldoende verdiencapaciteit om in haar eigen behoefte te voorzien, aldus de man.
Het hof overweegt het volgende. Dat de vrouw zich tegenover de man grievend heeft gedragen, ten gevolge waarvan zij haar aanspraak op partneralimentatie jegens hem zou hebben verspeeld, is niet komen vast te staan. Evident is dat sprake is van een verstoorde verstandhouding, dat partijen onenigheid hebben over de financiële afwikkeling van hun huwelijk en dat zij het niet eens zijn over de omgang tussen de man en Z. Dat de vrouw valse beschuldigingen doet en een valse aangifte heeft gedaan, zoals de man stelt, heeft de vrouw betwist en kan het hof niet vaststellen. Ook is niet vast komen te staan dat de vrouw de omgang tussen de man en Z zodanig frustreert, of de man het zodanig onmogelijk maakt invulling te geven aan het gezag, dat een einde is gekomen aan de lotsverbondenheid tussen partijen. Dit betoog van de man wordt dan ook verworpen. Dat betekent dat de vrouw in beginsel aanspraak kan maken op partneralimentatie, mits aan de wettelijke eisen is voldaan. Het ligt daarbij op haar weg om te stellen en, zo nodig, te bewijzen wat de omvang van haar (huwelijksgerelateerde) behoefte is.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw in dit kader onvoldoende gesteld. Zij heeft bewijstukken van haar huidige huur, haar ziektekostenverzekering en een onderhandse lening overgelegd, maar zij heeft geen behoeftelijstje met onderliggende stukken overgelegd. De vrouw heeft volstaan met te verwijzen naar de hoogte van haar eigen inkomen destijds en naar de onttrekkingen die de man in de jaren 2019-2021 uit zijn bedrijf heeft gedaan en verzocht om aan de hand daarvan op grond van de hof-norm haar behoefte te bepalen. Dit volstaat in dit geval niet. Immers, gesteld noch gebleken is dat de vrouw haar (huwelijksgerelateerde) behoefte niet met stukken had kunnen onderbouwen. Bovendien is onduidelijk waarom voor de bepaling van de behoefte van de vrouw relevant is wat de man over het gehele jaar 2019 aan zijn onderneming heeft onttrokken, terwijl partijen pas later dat jaar met elkaar zijn gehuwd. De vrouw is reeds op 31 juli 2020 uit de woning van partijen vertrokken en zij heeft geen voorlopige partneralimentatie ontvangen. Om die reden valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin in te zien waarom haar behoefte zou zijn gevormd door de onttrekkingen van de man uit zijn bedrijf over de periode na 31 juli 2020.
Daarnaast geldt het volgende. Tijdens het kortdurende huwelijk van partijen is een groot aantal, overwegend door de man betaalde, kosten gemaakt in verband met een huwelijksreis en de aanschaf van inboedelgoederen, alsmede in verband met de studie van de man, de betaling van zijn belastingschulden die zien op de periode voorafgaand aan het huwelijk van partijen en de aanschaf van een auto. Al deze kosten kunnen in redelijkheid niet als behoefteverhogend van de vrouw worden aangemerkt, omdat deze hetzij niet op haar betrekking hebben, hetzij niet te verwachten is dat deze kosten maandelijks terugkomen. De man heeft hier terecht op gewezen. Overigens zullen de auto en de inboedelgoederen in de verdeling worden betrokken, zodat de vrouw langs die weg het nodige toekomt. Toepassing van de hof-norm is in de gegeven situatie niet gerechtvaardigd: deze geeft geen redelijke uitkomst. Dat de omvang van de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw onduidelijk is gebleven, dient voor haar risico te komen.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vrouw, als zijnde onvoldoende onderbouwd, alsnog af.
De uitspraak is hier te lezen.