Ouderschapsverlof levert geen verwijtbaar, voor herstel vatbaar inkomensverlies op
In deze zaak zijn partijen in 2007 met elkaar getrouwd, uit welk huwelijk twee – thans nog minderjarige – kinderen zijn geboren, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Partijen zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. De Rechtbank heeft bij wijze van voorlopige voorzieningen een co-ouderschapsregeling vastgesteld en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op € 112,– per maand bepaald.
In appèl twisten partijen over de draagkracht van de man. Volgens de vrouw is er zijdens de man sprake van verwijtbaar, voor herstel vatbaar inkomensverlies vanwege het opnemen van ouderschapsverlof, zodat zij stelt dat uitgegaan dient te worden van een fictief (hoger) inkomen.
Het Gerechtshof is van oordeel dat niet gebleken is dat de man het ouderschapsverlof heeft opgenomen met een ander doel dan waarvoor het bedoeld is, te weten om meer voor de kinderen te kunnen zorgen, alsmede dat het hem, gelet op artikel 1:247 lid 4 BW en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, niet kan worden verweten dat hij ouderschapsverlof heeft opgenomen. Gelet hierop kan van de man niet worden gevergd dat hij weer meer gaat werken om zijn voormalige inkomen weer terug te krijgen.
Na berekening van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen, vernietigt het Hof de beschikking van de rechtbank en stelt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast op € 92,– per maand.
De uitspraak is hier terug te lezen.