Partijen geven onvoldoende inzage in hun inkomen: ieder van de ouders moet voor de helft bijdragen in de behoefte van hun kind
Uit het huwelijk tussen partijen is in 2005 hun dochter D geboren. In 2011 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij haar moeder. De rechtbank heeft de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van D vastgesteld op € 25,- per maand. De vader is inmiddels hertrouwd met X.
De moeder verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de vader € 250,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van D. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder – vanwege gebrek aan onderbouwing – af. De moeder gaat tegen de uitspraak in hoger beroep.
Voor wat betreft de bepaling van de behoefte van D gaat het hof uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de verbreking van de samenleving. Het jaar 2008 was het laatste jaar waarin partijen met elkaar samenwoonden en een gezin vormden. Volgens de vader verdiende hij toen ongeveer € 2.000,- netto per maand. De moeder betwist dat en stelt dat de vader destijds meer verdiende.
Het hof overweegt dat het op de weg van de moeder had gelegen om die stelling te onderbouwen. Bijvoorbeeld door inzicht te geven in het bestedingspatroon toentertijd. Nu zij dat heeft nagelaten, gaat het hof uit van een inkomen zijdens de vader van € 2.000,- netto per maand.
De moeder stelt dat zij destijds bij een makelaarskantoor werkte en haar inkomen ongeveer € 1.500,- netto per maand bedroeg. Dit wordt door de vader betwist. Volgens hem was er geen sprake van een bestendig inkomen van de moeder gedurende de laatste periode dat zij een gezin vormden. Aangezien de moeder geen stukken heeft overgelegd die haar stellingen onderbouwen, houdt het hof geen rekening met een inkomen aan de kant van de moeder. Het hof gaat dan ook uit van een netto gezinsinkomen in 2008 van € 2.000,- per maand. Na verdere inhoudelijke beoordeling stelt het hof de behoefte van D vast op € 281,09 per maand.
Voor de berekening van de draagkracht van partijen is het nodig dat zij inzage verstrekken in hun inkomen en stukken hiervan overleggen. Daarbij zijn zij op grond van artikel 21 Rv verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Indien die verplichting niet wordt nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hem of haar geraden acht.
De vader stelt dat hij in de onderneming van X werkt, zonder een salaris te ontvangen. Waarom hij geen loon ontvangt, heeft hij niet toegelicht. Het hof acht die stelling ongeloofwaardig, temeer nu uit de ingediende stukken blijkt dat in de onderneming in ieder geval twee personeelsleden werken die wél salaris ontvangen.
De vader heeft de stelling van de moeder dat zij een inkomen heeft op bijstandsniveau gemotiveerd betwist, net als haar stelling dat zij – als gevolg van haar persoonlijke omstandigheden – niet meer uren kan werken. Het hof is van oordeel dat de moeder daar onvoldoende (verifieerbare) informatie tegenover heeft gesteld.
Omdat partijen onvoldoende inzage hebben gegeven in hun inkomen, beslist het hof – mede in het licht van artikel 21 Rv – dat partijen ieder voor de helft dienen bij te dragen in de behoefte van D. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt de door de vader aan de moeder te betalen alimentatie voor D met ingang van 1 januari 2023 vast op € 140,55 per maand, en met ingang van de meerderjarigheid van D rechtstreeks aan haar.
De uitspraak is hier te lezen.