Partneralimentatie kan ook worden toegewezen als som ineens
In deze zaak wordt het huwelijk tussen partijen, waarbij sprake is van huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting, in 2019 ontbonden.
De vrouw doet het verzoek aan de Rechtbank om een door de man aan haar te betalen partneralimentatie vast te stellen van een bedrag ad € 5.000,– per maand. De Rechtbank wijst dit verzoek af, waarop zij hoger beroep tegen de uitspraak instelt. In die procedure verzoekt zij het Hof om de partneralimentatie vast te stellen in de vorm van een eenmalig bedrag van € 720.000,–.
De aanvullende behoefte van de vrouw wordt door het Gerechtshof berekend op een bedrag van € 3.418,– bruto per maand. Het Hof oordeelt dat het niet uitgesloten is dat een rechter de betaling van partneralimentatie op grond van artikel 1:156 lid 1 BW in de vorm van een som ineens kan vaststellen. Voornoemd artikel spreekt weliswaar van een ‘uitkering’, waar gelezen kan worden een periodieke uitkering, maar daarmee wordt een betaling van een ‘lump sum’ niet uitgesloten.
Wel hangt het van de omstandigheden van het geval af of de toekenning van een som ineens ter vervanging van een periodieke betaling van partneralimentatie geboden en redelijk is. Wanneer het bijvoorbeeld van toepassing zou kunnen zijn, is als de draagkracht van de alimentatieplichtige gebaseerd is op vermogen en niet op een periodieke inkomstenbron, zoals inkomen uit arbeid of een andere activiteit.
Daarnaast moet ook aandacht worden besteed aan artikel 1:401 BW en dus of de som ineens na vaststelling via dit artikel gewijzigd of zelfs ingetrokken kan worden. Dit dient de rechter in zijn of haar beslissing voldoende te motiveren.
In deze zaak had de vrouw de volgende berekening gemaakt. Per maand dient de man volgens haar een bedrag van € 5.000,– te betalen gedurende een periode van 12 jaar. Dit komt uit op een totaalbedrag van € 720.000,– (12 maanden x € 5.000,– x 12 jaar). Gelet op het feit dat de de man thans 80 jaar is, voerde hij aan niet zeker te weten of hij voor de volledige duur van 12 jaar zal moeten c.q. kunnen bijdragen, aangezien de verplichting tot bijdragen in het levensonderhoud van een ex-echtgenoot eindigt bij overlijden. Het Hof gaat mee in dit standpunt van de man en zoekt aansluiting bij artikel 6 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Dit artikel bevat een tabel om de contante waarde te berekenen van een periodieke uitkering in geld, waarbij deze uitkering afhankelijk is van het in leven zijn van de verschuldigde.
Met deze tabel in het achterhoofd, alsook de eerdere bruto berekening van de partneralimentatie ad € 3.418,– per maand is sprake van een te betalen partneralimentatie van € 41.016,– per jaar (€ 3.418,– x 12 maanden), waarbij het Hof de contante waarde als volgt berekent: (€ 41.016,– x 5 jaar x 0,75 =) € 153.810,– plus (€ 41.016,– x 5 jaar x 0,40 =) € 82.032,– plus (€ 41.016,– x 2 jaar x 0,15 =) € 12.304,–, in totaal zijnde € 248.146,– (bruto).
Gezien het grote verschil tussen het door de vrouw verzochte bedrag van € 720.000,– en het door het Hof berekende bedrag, komt het Hof niet toe aan toewijzing van het verzoek van de vrouw en gaat in deze uitspraak niet over tot het vaststellen van partneralimentatie als een som ineens.
Van de vrouw is niet bekend of zij akkoord had kunnen gaan met een lager bedrag als som ineens, waardoor het Hof besluit tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 3.418,– per maand.
De uitspraak is hier te lezen.