Toewijzing van een verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie op grond van samenwoning als waren zij gehuwd
Partijen zijn in 2010 met elkaar getrouwd, welk huwelijk in 2018 door echtscheiding wordt ontbonden. De Rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op € 1.655,– per maand vastgesteld. De vrouw heeft inmiddels in X een nieuwe partner gevonden.
De man verzoekt de Rechtbank om de door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 6 december 2018 op nihil te bepalen.
De Rechtbank wijst het verzoek af, waarop de man in appèl gaat.
Volgens de man wonen de vrouw en X sinds de genoemde datum met elkaar samen als waren zij gehuwd, zodat zijn onderhoudsverplichting jegens zijn ex-echtgenote op grond van artikel 1:160 BW is geëindigd. Ter nadere onderbouwing van zijn stelling heeft de man een rechercherapport overgelegd.
De vrouw erkent dat zij en X een duurzame affectieve relatie met elkaar hebben en dat zij samen een kind verwachten, maar betwist dat er sprake is van een samenleving als waren zij gehuwd. Volgens haar wonen zij en X niet samen, is er geen gezamenlijke huishouding, heeft X geen financiële ruimte om haar te onderhouden en er is geen sprake van wederzijdse verzorging.
Het Hof stelt vast dat de vrouw en X sinds het uiteengaan van partijen een relatie hebben en dat zij samen een kind verwachten. Uit de observaties en foto’s van het recherchebureau in de periode gelegen tussen februari en april 2019 blijkt voorts dat X tijdens alle waarnemingen aanwezig was in c.q. rond de woning van de vrouw en dat hij deze betrad met een eigen sleutel. Het gegeven dat X, zoals de vrouw stelt, ook nog een (eigen) kamer huurt, sluit samenwoning op zichzelf niet uit. Uit de door de vrouw overgelegde verklaringen van de verhuurder en een medehuurder blijkt niet of, en zo ja: hoe vaak, X daadwerkelijk op die kamer aanwezig is.
Uit het rechercherapport blijkt bovendien dat de vrouw en X samen boodschappen doen, gezamenlijk de kinderen wegbrengen en ophalen naar school en zwemles, samen naar het gezondheidscentrum gaan en dat X de auto van de vrouw repareert c.q. onderhoudt.
Uit een Facebookbericht blijkt verder dat de vrouw en X voor elkaar hebben gezorgd tijdens ziekte. Ook heeft de vrouw ter zitting bevestigd dat zij en X samen op vakantie gaan.
Daarbij overweegt het Hof dat de omstandigheid dat X, zoals de vrouw stelt, geen financiële bijdrage kan leveren, niet doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van wederzijdse verzorging. Het gaat daarbij immers niet enkel om de vraag of X haar financieel ondersteunt.
Alles overwegende staat voor het Hof vast dat tussen de vrouw en X in ieder geval vanaf 6 december 2018 sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard en van samenwoning. Daarnaast acht het Hof bewezen dat de vrouw en X vanaf deze datum elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Ondanks het feit dat het rechercheonderzoek slechts betrekking heeft op de periode vanaf 7 februari 2019, zijn er voldoende aanwijzingen dat die situatie zich op dat moment al geruime tijd voordeed. De door de vrouw aangedragen getuigen hebben het Hof niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Gelet hierop vernietigt het Hof de beschikking van de Rechtbank, wijst het verzoek van de man alsnog toe, legt aan de vrouw een terugbetalingsverplichting op en veroordeelt haar in de kosten van het recherchebureau ter hoogte van € 4.970,–.
De uitspraken betreffen een tussenbeschikking van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 30 juli 2019 en de eindbeschikking van 6 oktober 2020 (zaaknummer 200.247.992/01, niet gepubliceerd).