Transitievergoeding hoeft slechts gedeeltelijk te worden aangewend om WW-uitkering aan te vullen
Uit het inmiddels ontbonden huwelijk is het thans nog minderjarige kind K geboren. De man heeft uit een eerdere relatie nog twee kinderen. K heeft het hoofdverblijf bij de vrouw. De Rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op € 455,– per maand vastgesteld.
De man verzoekt de Rechtbank voor recht te verklaren dat partijen in onderling overleg de kinderalimentatie hebben gewijzigd in een bedrag van € 364,68 per maand en de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 7 augustus 2017 op € 114,– per maand vast te stellen.
Volgens de man zijn partijen in 2008 in onderling overleg afgeweken van de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde kinderalimentatie, in verband met het gelijkelijk verdelen van zijn draagkracht over zijn drie kinderen. Vanaf dat moment heeft hij een kinderalimentatie van € 364,68 per maand aan de vrouw betaald. Uit het feit dat de vrouw gedurende tien jaar geen aanspraak heeft gemaakt op achterstallige alimentatie, volgt dat partijen deze afspraak hebben gemaakt, aldus de man. Voorts beroept de man zich op gewijzigde omstandigheden, te weten lagere inkomsten vanuit WW-uitkering na zijn ontslag in november 2016. Op 7 augustus 2017 is hij – met toestemming van het UWV – een eigen onderneming gestart, maar die genereert nog geen winst, waardoor hij slechts een beperkte draagkracht heeft.
De vrouw betwist dat in onderling overleg de hoogte van de kinderalimentatie is gewijzigd. Zij stelt dat de man simpelweg eenzijdig de onderhoudsbijdrage heeft verlaagd. Daarnaast stelt de vrouw dat de man de door hem in 2016 ontvangen transitievergoeding, in plaats van deze te investeren in zijn onderneming, had dienen te gebruiken om na zijn ontslag zijn inkomen aan te vullen tot aan zijn voormalig inkomen. Naar de mening van de vrouw dient de man in staat worden geacht om een inkomen te genereren gelijk aan hetgeen hij voorafgaand aan zijn ontslag verdiende.
Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat partijen in onderling overleg een afwijkende regeling hebben afgesproken. Hoewel vaststaat dat de man in 2008 aan de vrouw heeft verzocht om haar medewerking te verlenen aan een verlaging van de kinderalimentatie, is niet gebleken dat zij hiermee ook heeft ingestemd. Het feit dat de vrouw niet heeft geprotesteerd tegen de betaling van de vervolgens verlaagde kinderalimentatie, is daartoe in ieder geval niet voldoende. Het eerste verzoek van de man wijst de Rechtbank dan ook af.
Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de man voldoende aangetoond dat hij – voorafgaand aan zijn keuze om een deel van zijn transitievergoeding aan te wenden voor investeringen in zijn onderneming, teneinde daarmee een nieuwe bron van inkomen te verwerven – geprobeerd heeft een dienstverband te vinden, maar dat dit niet is gelukt. In dat licht acht de Rechtbank de investeringen die de man heeft gepleegd om zijn eigen onderneming op te kunnen starten, in overeenstemming met het karakter van de transitievergoeding, te weten: het opvangen van inkomensverlies. Derhalve kan niet worden gesteld dat de man zich – gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens K – in redelijkheid had behoren te onthouden van het investeren van een deel van zijn transitievergoeding in zijn onderneming.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de resterende transitievergoeding, die vanwege het door de vrouw gelegde beslag thans in depot staat, wel voor de man beschikbaar was om zijn WW-uitkering te suppleren. Gelet op het grote verschil tussen het inkomen dat de man bij zijn voormalig werkgever verdiende en de hoogte van de WW-uitkering nadien, gaat de Rechtbank ervan uit dat de resterende vergoeding aan de man ter beschikking stond om zijn inkomen mee aan te vullen tot aan het moment waarop hij (op 7 augustus 2017) zijn eigen onderneming is gestart. Dat de man feitelijk deze gelden niet heeft kunnen gebruiken vanwege het door de vrouw gelegde beslag, maakt dat niet anders.
De man is vanwege begrijpelijke redenen zijn bedrijf gestart, waarin hij – geoorloofde – investeringen heeft gepleegd. Dat brengt met zich mee dat aan de man ook de gelegenheid dient te worden geboden om zijn investeringen terug te verdienen en met zijn bedrijf positieve resultaten te gaan behalen. Dat de aanvang van een onderneming, gelet op de investeringen die daarvoor nodig zijn, gepaard gaat met een negatief resultaat, is niet ongebruikelijk. Dat de man die investeringen heeft gepleegd vanuit zijn transitievergoeding, anders dan bijvoorbeeld door middel van een lening, maakt naar het oordeel van de Rechtbank niet dat met een positief resultaat rekening dient te worden gehouden, dan wel met een fictief inkomen gelijk aan het oude inkomen, zoals de vrouw stelt. De Rechtbank houdt bij het vaststellen van de draagkracht van de man dan ook uitsluitend rekening met zijn WW-uitkering ad € 2.078,– bruto per maand.
Na berekening van de behoefte van K, de draagkracht van partijen en het maken van een draagkrachtvergelijking tussen partijen, stelt de Rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 7 augustus 2017 vast op € 131,– per maand.
De volledige uitspraak is hier te lezen.